Geborgenheid

De troost is een handeling die zich afspeelt binnen het bereik van twee polen: geborgenheid en uitzicht. Tijdens crises (bijkomen, rouw of bestaanscrises) gaat het vooral om de eerste pool; daarom tijdens crises zeker geen stoïcijnse redeneringen, maar ook geen voortijdig gepraat over ‘afleiden’, ‘nieuwe vrienden’ of ‘er is nog zoveel moois in het leven’. Dat kan allemaal wel waar zijn, maar het is tijdens crises niet vertroostend; integendeel, het jaagt een mens de radeloosheid in omdat het wel wáár is, maar niet voor haar. 

Geborgenheid is een oer-woord. Het duidt het besef aan dat er mensen zijn die borg staan, die herbergen en desnoods verbergen. Het gaat om meer dan veiligheid en zekerheid. Soms moet dat besef worden gevoed door duidelijke signalen: aanwezigheid, verzorging, woorden, omarmingen, iets fijns, iets zoet, iets zachts, iets warms. Vooral tijdens crises kan men wat dit betreft te gauw menen dat de ander het toch allemaal wel weet. ‘We kennen elkaar al zo lang’. Ja, maar het moet nog eens onderstreept worden, speciaal binnen de radeloosheid. 

Buiten de crises kan het wat minder worden aangezet, maar het moet wel overkomen: Troost is altijd geborgenheid. Het is die pool van de troost die een moeder biedt, die haar kind met volle teugen ‘laaft aan haar rijke moederborst’. Dat heeft niets te maken met verstikkende of overstelpende sentimentaliteit, maar gewoon met ‘effectief en doel matig handelen’. 


(Uit: “Over troosten en verdriet” van dr. W. ter Horst.)